Uit de Salamat Makan, recept 368 · Uit de kombuis

Krabbetjes die een uur in een ketjapmarinade liggen en daarna knappend bruin worden gebakken of gegrild. Elk stuk twee ribbetjes, staat er — dat is precies de maat waarop ze goed op een rooster liggen.

Voor
6 personen
Tijd
1,5 uur
Pittig
pittig
  • 1 kg dikbevleesd krabbetjes
  • 2 uien
  • 2 teentjes knoflook fijngehakt
  • 2 theelepels djahé
  • 3 eetlepels ketjap manis
  • 200 gram taugé
  • zout, peper en nootmuskaat
  • sambal oelek
  1. Snijd de krabbetjes zo dat elk stuk twee ribbetjes heeft.
  2. Snijd één ui grof en één fijn.
  3. Vermeng de stukken vlees met de grove ui, de knoflook, de djahé, twee theelepels sambal, wat zout, peper, nootmuskaat en de ketjap.
  4. Laat het vlees ongeveer een uur in deze marinade liggen.
  5. Bak of gril ze knappend bruin en leg ze op een schaal.
  6. Fruit de fijngesneden ui en fruit de uitgelekte taugé even mee. De taugé moet knapperig blijven.
  7. Maak af met zout, peper en nootmuskaat en drapeer het taugémengsel over de krabbetjes.
Bij de barbecue

Hier is de kamado in het voordeel. Krabbetjes willen indirect gaar worden en pas op het eind direct kleuren — leg ze een half uur boven het deflectorschild op 160 graden en geef ze daarna twee minuten vol vuur. De ketjap kleurt dan mooi zonder te verbranden.

Herschreven door BBQ '79 naar de Salamat Makan, het Indonesische kookboek van de Koninklijke Marine.